De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later
2014 - 7de zondag in het jaar © Ad Blijlevens, Heerlen
 
 
 
'EN IK ZEG JULLIE: ...'
 
 

Het is duidelijk: Jezus spreekt ons over het omgaan met vijanden. En dan mogen we daarbij niet uit het oog verliezen: wat Hij zegt, heeft gewoonlijk in eerste instantie geen betrekking op de zeldzame uitzonderingen in ons leven, maar op wat wij het 'gewone' of 'normale' leven noemen. Wat kan dat dan betekenen: je vijanden liefhebben?
Misschien heeft het zin, dat we eerst eens een onderscheid maken tussen een kring van mensen die ons 'liggen', met wie wij ons verwant voelen, en een kring van mensen bij wie wij ons niet thuisvoelen.

Allereerst zijn er mensen bij wie wij ons 'thuis' voelen. Het zijn mensen voor wie wij graag het woord 'wij' gebruiken om onze verbondenheid met hen uit te drukken: familieleden van wie wij houden, vrienden, vriendinnen en bv, goede collega's. Wij bevestigen zulke mensen omdat wij goed met hen kunnen opschieten. Wij praten graag met hen en wij zijn voor hen een klankbord. Wij zijn voor zulke mensen niet als een rots waaraan zij zich stoten. Wij graven geen sloten en wij bouwen geen muren die zulke mensen van ons af houden. Wij proberen veeleer ons in te leven in hen, hun vragen tot onze vragen, hun zorgen tot onze zorgen, hun nood tot onze nood te maken.
Mensen echter die ons niet 'liggen', bij wie wij ons niet thuisvoelen, zijn degenen over wie ik hoogstens spreek in een woord als 'die', 'die lui daar'. Het zijn mensen die ik niet ken, die me ook niet bekoren om hen te leren kennen. Ze zijn me onverschillig; ik vind ze zelfs lastig of zelfs onsympathiek. Het zijn mensen met wie ik het liefst niets te maken heb.
Nu zouden wij in het licht van het evangelie kunnen zeggen: 'Je moet ook de mensen die tot die laatste groep horen, nabij zijn'. Jezus vraagt nabijheid. Als je wilt liefhebben, dan probeer je de anderen te begrijpen en te leren kennen. Dan kijken wij de anderen aan, luisteren naar hen, proberen ons in hun gedachten en gevoelens in te leven en spreken met hen. Dan geven wij ook betekenis aan mensen die voor ons niets te betekenen lijken te hebben. Dan zeggen wij iets aanmensen die 'niets-zeggend' lijken te zijn. Dan laten wij degenen die ons niet 'liggen' niet links liggen. Dan proberen wij te achterhalen waarom die anderen zus of zo'denken, voelen, doen, reageren, en waarom zij dat niet anders doen.
De niet-beminde liefhebben, de geminachte hoogachten, de vreemde een bekende doen zijn - zo wordt degene die ver van ons af staat of misschien zelfs lijkt of blijkt te zijn, een naaste, of liever: zo word ik de naaste van die ander.

Jezus presenteert zijn gebod om alle mensen die wij tegenkomen lief te hebben. Hij geeft in het evangelie van vandaag geen argumenten voor dit gebod. Misschien hoort dit gebod tot die geboden waarvan het zinloos is om ze met lange redeneringen te onderbouwen, maar is het juist een gebod dat alleen of minstens vooral in het doen zinvol blijkt te zijn, omdat het wat meer licht brengt in het leven van anderen en in het leven van onszelf.

Iemand, nl. Konrad Lorenz, heeft eens als een van de 'acht doodzonden van de geciviliseerde mensheid' de 'dood van de warmte van gevoelens' genoemd, het verdwijnen van het vermogen om noden in onze eigen omgeving te zien en bij ons toe te laten, het verdwijnen van het vermogen om de verborgen wensen van mensen te ontdekken en de moed te hebben om in te gaan op het leven van anderen en hen te helpen. Het gaat Jezus van Nazaret om dit gaan naar de medemens, naar degenen ook die ons op een of andere manier 'vreemd' zijn. Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? (...) En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan?' Aldus Jezus in het evangelie van vandaag.

In dit licht eindig ik met een uitspraak van Sint Franciscus van Assisi. Uiteraard in de manier van zeggen van zijn tijd en milieu, schreef hij in zijn testament: 'Het leek mij volstrekt ondraaglijk, melaatsen aan te kijken. Maar de Heer zelf heeft mij naar hen toe geleid. En ik heb hun ontferming bewezen. En terwijl ik daarmee voortging, werd juist datgene wat mij bitter leek, veranderd in zoetheid van mijn ziel en van mijn lichaam'. Wat zouden wij zeggen?
 
 
 

  MENU


   
BEZOEK
vandaag38
gister56
deze maand4100
totaal813339