De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later
2014 - 4de zondag in de 40-dagentijd © Harrie Brouwers, Voerendaal
 
 
 
 
DE OGEN VAN HET GELOOF
 
 
 
DE EERSTE LACH
Dat wij elkaar kunnen zien, is een groot wonder. Gewoonlijk ontlokt het ons een lach. Iemand tegenkomen schenkt levensvreugde. Ooit heeft die herkenning van een ander ons de allereerste lach ontlokt. Men zegt dat we ongeveer zes weken oud waren. Eerdere grimassen tellen niet mee! Zes weken hadden we nodig om in die oceaan van licht, kleur en beweging, van prikkelende geuren en geluiden, patronen te herkennen. En in die chaos waren steeds diezelfde ogen. Ze kwamen dichtbij. Ze gingen gepaard met warmte, strelingen en wiegen. Ze gingen vooraf aan melk en ze werden begeleid door zachte, hoge tonen. Na zes weken was het zover. We begonnen te lachen als we die ogen boven de wieg zagen. Ze beloofden melk en honing. Zo leerden we kijken. We gingen op ontdekking uit en gaven namen aan de schepping. De knuffel had ook ogen, de lampen in de kamer leken op oogjes en de knoppen van allerlei toestellen evenzeer. Kleine kinderen worden verrukt bij de herkenning van iets dat ze in een veelheid van indrukken kunnen benoemen. ‘Een koe!’ En weer een! Of een hijskraan; of een vogeltje. Het was een lange weg voordat we konden zien. De stralende begroeting in de ochtend was pas het begin!
 
BLINDGEBORENE
En nou lezen we het evangelie. Het verhaal is typisch voor Johannes. Het is bijna een toneeltje met veel dialogen en misverstanden. Je moet goed luisteren als Johannes aan het woord is. Niet voor niets komen er in zijn vertelling altijd mensen voor die de boodschap niet begrijpen en die uitleg nodig hebben. Vandaag gaat het over een man die in zijn leven nog nooit iets heeft gezien. Hij is blind vanaf de geboorte. Geen lachende moeder had hij na zes weken in het licht zien lachen. Geen afstand tot een trosje druiven heeft hij met zijn ogen leren inschatten. Hij kent de wereld wel, misschien heel goed zelfs. De wereld van de geluiden en van de smaak. Hij hoort de glimlach en hij hoort de afstand tot de muur. Gezien heeft hij nooit iemand. Misschien mist hij het niet eens, maar zijn ouders lijden eronder. Hoe zal het met hun zoon gaan, als zij er niet meer zijn? Hoe kan hij zich handhaven in de maatschappij als hij op eigen benen moet staan? En dan opent Jezus hem de ogen, eigenlijk op de manier waarop Afrikaanse medicijnmannen het deden bij een rijpe staar. Hij wrijft met klei over het oog oppervlak en de blindgeborene ziet!
 
DE DUBBELE BODEM
Hier stuit de moderne lezer op een probleem. Hoe is het mogelijk dat deze man ziet; dat hij de maanden overslaat waarin het jonge kind zijn hersenen ligt te programmeren en leert om waar te nemen? Of was deze maandenlange psychologische ontwikkeling bij het wonder inbegrepen? Moet de man niet eerst een periode meemaken waarin hij zijn gehoor indrukken leert koppelen aan het licht in zijn ogen? Of was hij niet werkelijk vanaf de geboorte blind? Zou Johannes misschien een beetje overdrijven en had de man altijd al een beetje kunnen zien? Of bedoelt hij iets anders? Het is immers Johannes die aan het woord is. We moeten bedacht zijn op een dubbele bodem!
De bedoeling van een verhaal wordt ons vaak aan het eind onthuld. Daar zegt Jezus dat door Hem de niet-zienden zullen zien en de zienden blind worden. Hij zegt het nadat de blinde man hem heeft erkend als de mensenzoon. Met andere woorden: het hele verhaal ging over het zien van ons geloof. Johannes gaat de diepte in met zijn verhalen.
 
GELOVEN IS KIJKEN
Geloven is niet een manier van begrijpen. Het is geen inzicht. Geloven is een manier van naar de wereld kijken. De gelovige ziet geen andere wereld dan de ongelovige, maar hij ziet de wereld anders! De gelovige ziet er niet een wereld bij, van engelen en bovennatuur, maar hij neemt nieuwe mogelijkheden waar. Hij neemt in een onaffe, zondige wereld vol onvolmaaktheid en lijden, reeds de contouren waar van wat het worden kan en van wat God er mee voor heeft gehad. Hij ziet in de mens een beeld van de Vader. Hij ontwaart in elke naaste, in een Belg, een Maastrichtenaar, een Marokkaan, een Venlonaar, een Rus en een Amerijkaan, zijn zuster en broeder. Hij ziet in de zieke een gezonde, in de hongerige iemand die brood krijgt. Het geloof ontwaart het koninkrijk van God.
 
DE WERELD VAN BABETTE
Lieve kinderen. ‘Babette, eten!’, zei mamma streng. ‘Ik bèn ook aan het eten...’ ‘Nee, je zit met het eten te spelen.’ Babette mompelde wat in zichzelf. Ze at wel degelijk, en ja, ze maakte van de geprakte aardappelen graag een strand en dan was de jus de zee en een stukje van de gehaktbal was een walvis. Hap! Ze stak de walvis in haar mond. Wat verder landinwaarts lag een dicht bos. Dat bleef liggen..., beschermd gebied! Babette hield niet van broccoli. Ze prikte een boompje samen een walvis op de vork, dan was het niet zo vies. De wereld van Babette was vol wonderen. Onderweg naar school zag ze clowntjes in de wolken die voorbij dreven. En soms heel Afrika. Tegen het plafond van de klas, half in de muur, liepen dunne bruine lijnen: duidelijk een spook. Ooit zou het op de juffrouw duiken, wist Babette. Tegen een ‘vijf’ zei ze in zichzelf altijd ‘dikke buik’ en een ‘één’ was een ‘steeltje’. Een ‘twee’ noemde ze een ‘ijsje’, de ‘vier’ een ‘wasknijper’; de ‘drie’ was een ‘koekje’. Zo leerde ze rekenen. Twee en drie is vijf. Een ijsje en een koekje zijn een dikke buik. Babette leefde in een spannende wereld. Ze keek met fantasie. Daarom zag ze veel meer dan pappa en mamma. Ze zag wat er was en ook wat er kon komen. ‘Zit je weer te dromen?!’ Ze schrok. De juf had het tegen haar. Babette trok haar liefste gezicht en zei: ‘Ja..., ik droom dat u iets tegen me zegt...!
 
 
 

  MENU


   
BEZOEK
vandaag48
gister56
deze maand4110
totaal813349